,

Turfmarktkerk

Een avondje Beroep-/bezwarencommissie altijd interessant.

Donderdagavond 7 maart j.l. vond in het Huis van de Stad de behandeling plaats van het bezwaar van de eigenaar van de Turfmarktkerk tegen de Gemeente plaats over de “bestuursdwang” dat hem werd opgelegd door het College van B&W.
De advocaten van de eigenaar hebben aangegeven waarom de bestuursdwang ten onrechte was opgelegd en de advocaat van het College legde uit waarom niet (zo gaat dat bij dit soort zittingen).
Het voert te ver om hier verslag te doen maar dat de gemeente nog wel iets uit te leggen heeft staat voor GBG onlosmakelijk vast. Kafka achtige beelden krijg je wanneer je zit te luistenen naar het verhaal waarbij een inwoner het moet opnemen tegen het ‘machtige’ gemeentelijk apparaat. Het is nu aan de commissie om het college te voorzien van advies. Voor ons blijft dat dit dossier zo complex en chaotisch is met onduidelijke rollen van de ambtelijke organisatie en het college dat een onafhankelijk onderzoek door de gemeenteraad noodzakelijk is. Een gemeenteraad die met betrekking tot dit dossier haar controlerende functie niet wenst uit te voeren is wat betreft GBG geen knip voor de neus waard.
Samen met de VVD en mogelijk GOPO overwegen wij een motie in te dienen om dit onderzoek toch van start te laten gaan.
De bijeenkomst van donderdagavond was in ieder geval voor ons aanleiding om aanvullende artikel 38 vragen te stellen (zie hieronder).

Gouda, 8 Maart 2019

Geacht College,

In aansluiting op uw schriftelijke beantwoording (d.d. 12 februari 2019) op de door de fractie van GBG gestelde vragen (d.d. 17 januari 2019), kennis genomen te hebben van de stukken welke ter beschikking zijn gesteld met betrekking tot het WOB-verzoek en na behandeling van het bezwaarschrift tijdens de bijeenkomst van de beroep- en bezwarencommissie van 7 maart j.l. willen wij uw college mede namens de fractie van de VVD nog nadere aanvullende vragen stellen.
Voor de volgbaarheid hebben wij de eerder gestelde vragen met uw antwoorden hieronder weergegeven met daarop aansluitend de aanvullende vragen onder A) e.v.

Algemeen: 1. Kan het college aangeven waarom wij niet in het bezit zijn gesteld van de door ons schriftelijk gevraagde informatie? De gevraagde informatie heeft niet alleen betrekking op de technische rapportage van voor en na de ‘bestuursdwang’, maar wij willen ook graag inzage in de gevoerde correspondentie, de verslagen van de besprekingen en eventueel digitaal opgenomen verslagen tussen ODMH, de ambtelijke organisatie en het college met de eigenaar van de Turfmarktkerk.
Antwoord: De behandeling van een dergelijk grootschalig informatieverzoek is tijdsintensief, legt een groot beslag op de ambtelijke organisatie en dient zorgvuldig plaats te vinden. Wij hebben uw informatieverzoek gelijktijdig in behandeling met het eerder ingediende WOB-verzoek van de heer Peter R. de Vries. Hierbij worden de wettelijke termijnen in acht genomen, inclusief het wettelijk recht van de eigenaar om instemming te verlenen voor het openbaar maken van correspondentie, verslagen etc. Het is onze verwachting om zowel uw informatieverzoek als het eerdergenoemde WOB-verzoek op korte termijn te kunnen honoreren.
A) Tijdens behandeling van het ingediende bezwaarschrift van de eigenaar Turfmarktkerk bij de beroep- en bezwaarcommissie is vernomen dat niet alle stukken in het WOB-dossier zijn opgenomen. Kan worden aangegeven waarom in het WOB-dossier documenten ontbreken die betrekking hebben op de gevoerde correspondentie, alle verslagen van de besprekingen die schriftelijk en/of digitaal zijn vastgelegd tussen onder meer ODMH, de ambtelijke organisatie en het college met de eigenaar van de Turfmarktkerk?
B) Zoals aangegeven tijdens de besluitvormende raadsvergadering van 6 maart j.l. zouden wij graag, om onze controlerende rol goed te kunnen uitvoeren, het verslag op papier en de digitale opname ontvangen van het overleg met de eigenaar van de Turfmarktkerk met de beide wethouders van 3 oktober 2018?
Specifieke technische/aanvullende vragen:
1. Waarom wordt in uw rapportage bij het proces rond de dwangsom niet gecommuniceerd dat uit technische metingen blijkt dat de achtergevel van de kerk gewoon stabiel was en dat u uitging van de instabiliteit van de totale kerk? Antwoord: Het is ons niet duidelijk uit welke technische metingen zou blijken dat de achtergevel van de kerk stabiel was.
Het besluit tot spoedbestuursdwang van 24 oktober 2018 is genomen naar aanleiding van rapporten van de ODMH en een externe constructeur (Peter & Van Leeuwen B.V.) waarin is geconcludeerd dat de kerk instabiel was en er instortingsgevaar bestond.
A) U geeft in uw beantwoording aan dat het u niet duidelijk is uit welke technische metingen zou blijken dat de achtergevel van de kerk stabiel was. Zijn de documenten van GEO-service en GEO-valk, welke mogelijk in uw bezit zijn, niet onomstotelijk duidelijk voor wat betreft de stabiliteit van de Turfmarktkerk?

2. Het ingenieursbureau Dekker heeft aangegeven dat de kerk met het steigerwerk dat door de eigenaar is geplaatst nog 10 – 15 jaar kan blijven staan, waarom heeft u geen gebruik gemaakt van deze rapportage en waar blijken uw twijfels uit?
Antwoord: De door ingenieursbureau Dekker genoemde periode heeft betrekking op de zogeheten ontwerplevensduur van de steigerconstructie. De ontwerplevensduur geldt als uitgangspunt voor de mate van belasting (bijvoorbeeld windbelasting) waarmee een constructie berekend wordt. Dat de steigerconstructie is berekend met een ontwerplevensduur van 15 jaar betekent dan ook niet zonder meer dat de veiligheid van de kerk een evenredige periode kan doorstaan. Hiervoor is de algehele constructieve staat van belang (onder meer de staat van de fundering, spanten en gevels) zoals die bij het deskundigenrapport waarop het spoedbestuursdwangbesluit is gebaseerd in beschouwing is genomen. Dat rapport laat geen ruimte voor twijfel over het bestaan van instortingsgevaar.
A) In uw antwoord beperkt u zich tot de ontwerplevensduur van de steigerconstructie. Het ingenieursbureau Dekker heeft zich echter niet beperkt tot de steigerconstructie maar heeft daarbij in ogenschouw genomen de getroffen maatregelen waar onder de aanbreng van ‘trekstangen’, het verrichten van ‘laswerk’ en het aanbrengen van de zgn. ‘baldingen’. In die combinatie werd gesproken/geschreven over 10 – 15 jaar levensduur. E.e.a. is ook verwoord in enkele mails. Zijn deze aangebrachte voorzieningen wel voldoende door u beoordeeld bij het bepalen van de veiligheid van de kerk?
B) Is het juist dat ODMH het plan van aanpak met betrekking tot het steigerwerk in eerste instantie heeft goedgekeurd en dat onder dwang/dreigement de eigenaar is opgedragen om volgens dit plan te werken omdat anders het werk zou worden stilgelegd?
C) In opdracht van welke instantie is kort daarop aangegeven dat het steigerwerk onvoldoende was en zijn aanvullende eisen gesteld om tot een ander plan van aanpak met betrekking tot het steigerwerk te komen?
D) Acht het college deze aanpak/werkwijze in overeenstemming met ‘zorgvuldig gezamenlijk optrekken’ in het kader van dit project?

3. Waarom heeft het college bij het uitvoeren van het sloopwerk onder gemeentelijke regie niet gewerkt met het erkende sloopbedrijf en steigerbouwer van de eigenaar, wat u wel naar hem toe zou hebben toegezegd?
Antwoord: Het college heeft aangegeven waar mogelijk met partijen te werken waar de eigenaar zaken mee deed. Zo is onder meer gebruik gemaakt van de diensten van ingenieursbureau Dekker en Kingfisher Ecologie. Verder is gebruik gemaakt van het ter plaatse reeds aanwezige (deels gehuurde) steigermateriaal. Het spoedeisende karakter en de complexiteit van het uit te voeren werk zijn in hoge mate sturend geweest bij de selectie van partijen. Voor wat betreft de selectie van het sloopbedrijf is daarom gekeken naar deskundige bedrijven die eerder al geoffreerd hadden m.b.t. de sloop van de kerk. Sloopbedrijf Kruiswijk behoorde daartoe en bleek bovendien een capabele partij die op zeer kort termijn kon aanvangen met sloop. Daarbij komt dat de eerdere offerte van het door de eigenaar aangedragen sloopbedrijf naar ons oordeel geen reële offerte was omdat een aantal essentiële elementen van de werkzaamheden niet waren meegenomen in die offerte. De redelijkheid van de door het college gemaakte keuzes komt overigens aan de orde in het kader van het verhaal van de kosten op de eigenaar.
A) U geeft in uw beantwoording weer dat ‘de eerdere offerte van het door de eigenaar aangedragen sloopbedrijf naar ons oordeel geen reëel offerte was omdat essentiële elementen van de werkzaamheden niet waren meegenomen in de offerte’. Kunt u aangeven wie c.q. welke instantie tot die beoordeling is gekomen en welke de door u aangedragen essentiële elementen waren?

4. Heeft het college bij het verstrekken van opdracht aan sloopbedrijven gewerkt onder de bepalingen van de gemeentelijke aanbestedingsregels of is sprake van een open begroting i.c. ‘blanco check’? (recent heeft mijn fractie kennis kunnen nemen van de aanbestedingsregels over Turfmarktkerk waarbij de vraag kan worden aangevuld of de aanbestedingen ten behoeve van de sloop onder deze nieuwe regels vallen?)
Antwoord: Ja, conform de aanbestedingsregels heeft er eerst een meervoudig onderhandse aanbesteding plaats gevonden. Hier is de Kruiswijk als best passende partij uit voortgekomen. De offerte is nog een keer aangepast op basis van het goedgekeurde sloopveiligheidsplan. Op basis hiervan is opdracht verstrekt aan onderaannemer Kruiswijk door hoofdaannemer Van der Speld. Van de Speld heeft een coördinatieverplichting. Voor de sloop en de coördinatie is een fixed price afgesproken op basis van het sloopveiligheidsplan slopen tot veilige hoogte. Voorts zijn met Van der Speld marktconforme eenheidsprijzen afgesproken voor aanvullende werkzaamheden. Dit had te maken met het feit dat er in die fase nog veel onduidelijk was over de sloopwerkzaamheden die de eigenaar reeds had gedaan en met name de kwaliteit daarvan.
A) In uw antwoord geeft u aan dat bij de meervoudige onderhandse aanbesteding de Firma Kruiswijk als best passende partij naar voren is gekomen. De offerte is daarna nog een keer aangepast op basis van het goedgekeurde sloopveiligheidsplan. Kunt u 1. aangeven welke de wijzigingen zijn geweest in de tweede offerte ten opzichte van de eerste? 2. Had de meervoudige onderhandse aanbesteding met het goedgekeurde sloopveiligheidsplan niet openbaar moeten worden aanbesteed?
B) U heeft opdracht verstrekt aan de ‘onderaannemer’ Kruiswijk, de hoofdaannemer Van der Speld heeft een coördinatieverplichting. 1. Kunt u aangeven waarom de opdracht is verstrekt aan de onderaannemer Kruiswijk en niet aan de hoofdaannemer Van der Speld en 2. Hoe past deze aanbesteding en opdrachtverstrekking binnen het kader van het gewijzigde Bouwbesluit?
C) Op grond waarvan is tot een ‘fixed price’ gekomen en wie heeft deze fixed price vastgesteld?
D) Is het correct dat de firma Kruiswijk met de werkzaamheden is begonnen nog voordat de aanbesteding was afgerond?
E) En als dat het geval is; Wie heeft opdracht verstrekt aan de firma Kruiswijk om te starten met deze werkzaamheden?

5. Waarom heeft het college het met de eigenaar opgestelde plan van aanpak niet uitgevoerd?
Antwoord: Op 26 september is de bestuursdwang voor het stutwerk aangezegd. Dit nadat de eigenaar er herhaaldelijk niet in geslaagd was het stutwerk adequaat te voltooien. Het plan van aanpak, dat daarna is opgesteld op initiatief van het college, had als doel om de eigenaar van de kerk onder gemeentelijke supervisie ten laatste male de gelegenheid te bieden de stutwerkzaamheden alsnog deugdelijk met inzet van eigen partijen/materiaal af te ronden. Een van de eerste stappen die de eigenaar daartoe moest zetten was het aanleveren van aangepaste constructieve tekeningen en berekeningen. Dit is evenwel niet gebeurd, waarmee het plan van aanpak, gezien het gebrek aan medewerking van de eigenaar in combinatie met de tijdsdruk, onuitvoerbaar bleek en de gemeente noodgedwongen alsnog –en in lijn met de bestuursdwangbeschikking gelegitimeerd- de volledige uitvoering van het stutwerk naar zich toe moest trekken. Daarnaast ontstond op basis van de controles van de toezichthouders van de ODMH in het bijzijn van een externe constructeur op 17 oktober 2018 een nieuw feit, te weten dat de constructieve staat van de bebouwing inmiddels zodanig was verslechterd dat de gemeente per direct de volledige regie moest overnemen voor stutten en sloop vanwege direct instortingsgevaar.

6. Is het juist dat het college, voor verdere samenwerking met de eigenaar, aan hem als voorwaarde heeft gesteld dat hij zijn bezwaar bij de voorzieningenrechtbank en de bezwaarschriftencommissie zou intrekken?
Antwoord: Na het aanzeggen van de bestuursdwang en de besluitvorming rond het voorbereidingsbesluit heeft het college een gesprek met de eigenaar gevoerd waarbij het dossier Turfmarktkerk in breed perspectief aan de orde is geweest. Het doel hiervan was om snel en efficiënt tot stutten te komen, maar daarnaast ook om enerzijds de praktisch snelste weg naar de benodigde sloop te bezien en anderzijds het herontwikkelingsperspectief te verkennen. Dit gesprek heeft geleid tot een aantal samenwerkingsafspraken, waaronder de ultieme poging om het stutproces met mensen/middelen/materialen van de eigenaar te realiseren, langs de lijnen van het bij vraag 5 genoemde plan van aanpak. De eigenaar is gevraagd lopende bezwaar/VoVo-procedures in te trekken gezien de toen gekozen gezamenlijke insteek en vanuit onnodige belasting van de rechtsgang. De sloop van de kerk stond tussen partijen ook niet meer ter discussie. De eigenaar heeft hier zijn eigen afweging in gemaakt en de betreffende procedures ingetrokken. In later stadium, toen de gezamenlijke aanpak feitelijk achterhaald was door de controles van 17 oktober, heeft het college de eigenaar gewezen op het belang om op dat moment alsnog gebruik te maken van rechtsmiddelen in het kader van rechtsvinding. De eigenaar heeft daar ook gebruik van maakt. De rechter heeft inmiddels het ingediende VoVo-verzoek afgewezen. De bezwaarprocedure loopt momenteel.
A) U geeft in uw beantwoording aan dat de eigenaar zijn afweging heeft gemaakt en de betreffende procedures heeft ingetrokken. Hoe plaats u in dit kader uw verdere medewerking mede gelet op het gestelde in de mail van het college aan de eigenaar van de Turfmarktkerk d.d. 8 oktober 2019 aangezien kort daarna de bestuursdwang werd toegepast?

7. Is het juist dat het college, in het kader van het afvoeren van puin, tot op de dag van vandaag de 50 ton en 30 km per uur die nu nog steeds geldt voor de binnenstad niet teruggebracht tot 18 ton voor iedereen, en niet alleen voor de eigenaar?
Antwoord: De gemeente heeft onder andere naar aanleiding van de casus Turfmarktkerk een trilling onderzoek laten uitvoeren in de gehele Binnenstad. Bij de sloop van de Turfmarktkerk hebben wij op basis van de eerste uitslagen van het onderzoek alvast onze verantwoordelijkheid genomen door lichter vrachtvervoer toe te passen om zo de kwetsbare Turfmarkt niet extra te belasten met relatief veel en zwaar vrachtverkeer. Mede in samenspraak met de stakeholders vanuit het Mobiliteitsplan, waarbij de nadruk ligt op het verminderen van overlast en luchtvervuiling in de kwetsbare binnenstad, worden momenteel korte en lange termijn maatregelen uitgewerkt. U begrijpt dat dit proces in zijn geheel en zorgvuldig moet worden uit gevoerd, onder andere in overleg met binnenstadondernemers en vuilnistransporteurs (o.a. Cyclus), maar ook ten aanzien van besluitvorming. Als onderdeel van dit pakket aan maatregelen zal op de Turfmarkt op korte termijn een lengte- en gewichtsbeperking worden ingevoerd. Begin februari wordt uw raad daarover nader geïnformeerd via een raadsmemo.
A) Op grond van welke wettelijke c.q. juridische gronden heeft u de eigenaar van de Turfmarkt kerk geadviseerd CQ-opdracht verstrekt om het afvoeren van het puin beneden de gebruikelijke tonnage en snelheid te houden?

8. Waarom is er voorafgaande aan de bestuursdwang geen gedegen onderzoeksrapport op basis van een F3O protocol opgesteld?
Antwoord: De F3O richtlijn is een richtlijn die enkel gebruikt wordt in het kader van funderingsonderzoek. Bij de rapporten van de ODMH en een externe constructeur (Peters & Van Leeuwen B.V.) waarop het spoedbestuursdwangbesluit is gebaseerd, is daarentegen de algehele constructieve staat van de kerk in beschouwing genomen en instortingsgevaar vastgesteld. Daarbij wijzen wij erop dat de eigenaar ook bij de voorzieningenrechter heeft betoogd dat deze richtlijn had moeten worden gebruikt. De voorzieningenrechter is de eigenaar daarin niet gevolgd. Zo oordeelde de voorzieningenrechter: “De feitelijke constatering dat er ernstige, gevaar zettende scheurvorming optreedt is toereikend voor de conclusie dat er sprake is van direct instortingsgevaar, ook zonder dat de oorzaak daarvan bekend is.” (ECLI:NL:RBDHA:2018:15112, r.o. 6.3).

9. Waarom gaf het college aan de bewoners in de directe omgeving vrijdag voor het weekend het vrijblijvende advies om hun heil elders te zoeken terwijl er sprake was (zoals tijdens de rechtszitting van de kant van het college werd aangegeven) van een acuut dreigingsgevaar van een instortende kerk?
Antwoord: Zoals wij u in de raadsmemo van eind oktober hebben laten weten zijn de omwonenden geïnformeerd zodra we enerzijds over voldoende informatie beschikten over het reële instortingsgevaar, en anderzijds ook handelingsperspectief konden bieden. De bewoners van de zes woningen in de ‘hoogste risicozone’ zijn vrijdag 19 oktober dringend geadviseerd hun woning te verlaten. Ook de bewoners in een ruimere cirkel zijn toen (voor)geïnformeerd en ’s avonds is een informatieavond georganiseerd. Waar nodig heeft de gemeente geholpen om een alternatief onderkomen te vinden. Om enerzijds de veiligheid van het gebied te kunnen garanderen (geen bewoners die af en toe terug naar huis gaan om iets op te halen), en anderzijds uit hoofde van de veranderende weersomstandigheden, is vervolgens op dinsdag 23 oktober besloten additioneel een noodverordening vast te stellen. Op grond van deze door de burgemeester uitgevaardigde noodverordening werd de hoogste risicozone rondom de Turfmarktkerk, de particuliere parkeergarage onder de Clarissenhof en het achterste deel van een bedrijfspand voor iedereen afgesloten. Er is in die dagen veelvuldig met de betrokken bewoners gecommuniceerd
A) Kunt u aangeven waarom voor de zes woningen in de ‘hoogste risicozone’ dringend is geadviseerd hun woning te verlaten en dat voor deze zes woningen niet direct de noodverordening is vastgesteld?

10. Hebben de direct omwonenden, gelet op het acute instortingsgevaar, geen risico’s gelopen gedurende dat weekend?
Antwoord: Sinds dat bekend was hoe instabiel de constructie van de kerk was, zijn de weersomstandigheden gemonitord. Het rustige weer droeg ertoe bij dat we gezamenlijk met de veiligheidsdiensten hebben besloten dat ingrijpen nog niet direct nodig was. De veiligheidsdiensten waren wel optimaal voorbereid mocht er zich toch een calamiteit voordoen. Mede in het licht van veranderende weersomstandigheden is dinsdag wel een noodverordening vastgesteld. Alle bewoners waren toen reeds vertrokken. Het dringend advies was dus, in combinatie met intensief contact met omwonenden, effectief.

11. Wat zijn hiervan de kosten voor de gemeente en welke zijn de kosten voor de eigenaar?
De kosten die werden gemaakt in het kader van de noodverordening komen voor rekening van de gemeente en bedrage circa € 35.000.

12. Waarom gaan de offertes van de gemeente uit van deelsloop, waarbij er nog 6 meter van de muren blijft staan, en die van de eigenaar (in eerste instantie goedgekeurd door ODMH) voor totale sloop?
Het karakter van de spoedeisende bestuursdwang brengt met zich dat enkel die noodzakelijke maatregelen worden getroffen die nodig zijn om de directe gevaarzetting weg te nemen. Om die reden wordt gesloopt tot veilige hoogte.

Antwoord op deze aanvullende vragen zien wij met belangstelling tegemoet.
Mede namens de fractie van de VVD,
Jan de Koning MCM
Fractievoorzitter GBG

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *